Advertisements

HOGER RAAD: Veroordelingen voormalig minister-president van Curaçao en zijn partner definitief

De veroordelingen van de voormalig minister-president van Curaçao Schotte en zijn partner wegens onder meer ambtelijke corruptie en witwassen blijven in stand. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld. Ook de opgelegde straffen zijn definitief.

Schotte was ten tijde van de bewezen strafbare feiten politicus in Curaçao. Hij richtte de politieke partij Movementu Future Korsou (MFK) op. Met ingang van 10 oktober 2010 was Schotte de eerste minister-president van Curaçao. Deze functie bekleedde hij tot eind september 2012. De medeverdachte is zijn partner.

In de strafzaak tegen Schotte staat ambtelijke corruptie centraal. Het hof vond onder meer bewezen dat hij giften, bestaande uit hoge geldbedragen, had aangenomen van een bevriende Italiaanse zakenman die bedoeld waren om hem te bewegen tot het doen van tegenprestaties. Om de herkomst van die bedragen te maskeren heeft hij facturen vals opgemaakt. Ook hebben de verdachte en zijn medeverdachte zich in de visie van het hof schuldig gemaakt aan witwassen en het voorhanden hebben van zogenoemde ‘frequency jammers’, die zijn ontworpen voor het veroorzaken van storingen in telecommunicatie.

Schotte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar. Als bijkomende straf werd hij voor een periode van vijf jaar ontzet uit het recht om te worden verkozen bij verkiezingen. Zijn partner kreeg een gevangenisstraf van vijftien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk wegens witwassen. Beide verdachten stelden beroep in cassatie in.

In het arrest gaat de Hoge Raad onder meer in op de cassatieklachten die zich richten tegen het door het hof gebruikte bewijs voor de ambtelijke omkoping. Schotte stelt onder meer dat in zijn visie geen sprake is geweest van giften om hem om te kopen maar dat slechts sprake is geweest van financiering voor zijn op te richten partij MFK. Het hof oordeelde dat de geldbedragen ook waarde hadden voor de verdachte als deze geheel of gedeeltelijk zijn gebruikt voor de financiering van die op te richten partij. Ook in dat geval is sprake van giften. Deze giften werden gedaan om van Schotte in zijn politieke functies onder meer een voorkeursbehandeling te krijgen. De Hoge Raad vindt dit oordeel van het hof niet onjuist en ook voldoende gemotiveerd.

Ook de overige cassatiemiddelen in de zaken van Schotte en zijn partner leiden niet tot vernietiging van de uitspraken. Beide veroordelingen zijn hiermee definitief.

 

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
27-11-2018
Zaaknummer
17/03977
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:921
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Veroordeling voormalig minister-president Curaçao voor o.m. ambtelijke omkoping, art. 379 (oud) SrNA en witwassen, art. 435c.1.a SrNA. 1. Bewijsklacht ‘bediening’ a.b.i. art. 379.ahf.1 (oud) SrNA. 2. Bewijsklacht ‘gift’ a.b.i. art. 379 SrNA. 3. Bewijsklacht ‘verhullen’ a.b.i. art. 435c.1.a SrNA.

Ad 1. De opvatting dat ‘bediening’ a.b.i. art. 379 SrNA uitsluitend betrekking kan hebben op de functie van de ambtenaar t.t.v. het aannemen van de gift, en niet (mede) op een toekomstige functie van die ambtenaar is in haar algemeenheid onjuist. Mede gelet op de wetsgeschiedenis van art. 363 (oud) Sr – dat naar de kern bezien gelijkluidend is – moet worden aangenomen dat het in art. 379 SrNA voorkomende begrip ‘bediening’ ook het als ambtenaar aannemen van giften in verband met handelingen te verrichten in een nieuwe ambtelijke functie, binnen het bereik van deze strafbepaling kan brengen. Het gelet op de door het hof vastgestelde f&o gebaseerde oordeel dat de giften aan verdachte werden gedaan teneinde “in zijn bediening” iets te doen of na te laten, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Ad 2. Een ‘gift’ a.b.i. art. 379 SrNA omvat elk overdragen aan een ander van iets dat voor deze ander waarde heeft (vgl. ECLI:NL:HR:1916:32). Dat een gift wordt gedaan i.h.k.v. bijv. ‘fundraising’ staat er niet aan in de weg dat sprake kan zijn van een ‘gift’ a.b.i. art. 379 SrNA (vgl. ECLI:NL:HR:2005:AT8328). In de overwegingen van het Hof ligt als zijn oordeel besloten dat de beide in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen ook waarde hadden voor de verdachte indien zij geheel of gedeeltelijk zijn benut ter bestrijding van de kosten van de activiteiten van de (mede) door de verdachte op te richten partij MFK, zodat ook in dat geval sprake is van giften a.b.i. art. 379 SrNA. Dat oordeel is niet onjuist en is toereikend gemotiveerd.

Ad 3. Art. 435c.1.a SrNA is naar de kern bezien gelijkluidend aan art. 420bis.1.a Sr. Het ‘verhullen’ a.b.i. art. 420bis.1.a Sr heeft betrekking op gedragingen die erop zijn gericht het zicht op o.a. de herkomst van de geldbedragen te bemoeilijken. Die gedragingen moeten tevens geschikt zijn om dat doel te bereiken (vgl. ECLI:NL:HR:2017:236). Dit geldt ook voor art. 435c.1.a, SrNA. Het op de door het Hof vastgestelde f&o gebaseerde oordeel dat het complex van betalingen en andere financiële transacties erop was gericht de herkomst van de door A betaalde geldbedragen te verhullen en daartoe ook geschikt was, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Volgt verwerping. Samenhang met 17/03980.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 november 2018

Strafkamer

nr. S 17/03977 A

SA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 21 juli 2017, nummer H 38/16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.

1Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben G.G.J.A. Knoops en J.A. Baaijens, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman G.G.J.A. Knoops heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2Waar het in deze zaak om gaat

De Advocaat-Generaal heeft in zijn conclusie onder 4 hetgeen waar het in deze zaak om gaat als volgt samengevat:

“De verdachte was ten tijde van de bewezen verklaarde gedragingen politicus in Curaçao, aanvankelijk als Eilandsraadslid van het Eilandsgebied Curacao. In 2010 richt de verdachte [verdachte] de politieke partij Movementu Future Korsou (MFK) op. Met ingang van 10 oktober 2010 is de verdachte de eerste minister-president van het land Curaçao. Deze functie bekleedt hij tot eind september 2012. De medeverdachte [medeverdachte] is de partner van de verdachte en in de bewezen verklaarde periodes bestuurder en directeur van de vennootschap [A] NV op Curaçao.

In de strafzaak tegen de verdachte staat centraal het aannemen van giften gedaan door of namens [betrokkene 1] . Het hof heeft onder meer bewezen verklaard dat de giften aan de verdachte werden gedaan teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, een voorkeursbehandeling te bewerkstelligen voor [betrokkene 1] en/of aan hem gelieerde bedrijven (feit 1). Facturen die in dat verband zijn verstuurd, zijn volgens het hof valselijk opgemaakt (feit 2). Ook hebben de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] volgens het hof de herkomst van de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen verhuld en zich daarmee schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen (feit 3). Ten slotte is de verdachte veroordeeld in verband met het voorhanden hebben van zogenaamde ‘frequency jammers’, die zijn ontworpen voor het veroorzaken van een stoornis in de gang en/of in de werking van enig werk voor telecommunicatie (feit 4).”

3Bewezenverklaring en bewijsvoering

3.1.

Ten laste van de verdachte is onder meer bewezenverklaard dat:

“Feit 1: Ambtelijke omkoping hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 8 oktober 2010 te Curaçao in de toenmalige Nederlandse Antillen en de Verenigde Staten van Amerika als ambtenaar, te weten als Eilandsraadslid van het Eilandsgebied Curaçao giften,

gedaan door of namens [betrokkene 1] (via [B] Ltd.), te weten

– een geldbedrag van USD 140.000,- en

– een geldbedrag van USD 73.422,-

heeft aangenomen, (via [medeverdachte] ),

wetende dat deze giften aan hem, verdachte, werden gedaan teneinde hem, verdachte, te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten,

te weten het:

– onderhouden van een relatie tussen hem, verdachte en [betrokkene 1] , teneinde voor [betrokkene 1] (en/of zijn bedrijven en/of tot het concern behorende bedrijven en/of personen) een voorkeursbehandeling te bewerkstelligen,

en

– begunstigen van [betrokkene 1] (en/of zijn bedrijven en/of tot het concern behorende bedrijven en/of personen) en

– verstrekken van interne overheidsinformatie aan

[betrokkene 1] en

– verstrekken van invloed aan deze [betrokkene 1] in de Curaçaose overheid (via de nieuw op te richten politieke partij M.F.K.) en aan [betrokkene 1] (vooraf) instemming vragen voor benoeming van leden van de Regering en/of voor personen op publieke topfuncties op Curaçao en

– door verdachte (met aanwending van zijn huidige en/of toekomstig gezag en invloed als ambtenaar) bevorderen dat [betrokkene 1] (internationaal) wordt aanbevolen en

– door verdachte (met aanwending van zijn huidige en/of toekomstig gezag en invloed als ambtenaar) bevorderen en/of adviseren van en/of zorgdragen voor en/of opdragen aan en/of zich ervoor inspannen dat [betrokkene 1] en een van de tot het concern behorende personen zullen worden aangesteld in een prestigieuze en/of belangrijke institutionele functie te Curaçao;

Feit 2: Valsheid in geschrift

hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 1 juli 2010, te Curaçao in de toenmalige Nederlandse Antillen en Italië, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

twee facturen van [A] N.V. (gericht aan [B] Ltd), te weten:

– een factuur met factuurnummer 91210 (gedateerd 4 mei 2010) ten bedrage van 140.000,00 USD (onder vermelding van de omschrijving “Assembly and Testing Playing Tracking Module (Vlt Italian Market)” en “On-Board Firmware testing”) en

– een factuur met factuurnummer 91213 (gedateerd 7 juni 2010) ten bedrage van 73.447,00 USD (onder vermelding van de omschrijving “Assembly and testing Tracking Module (Vlt Italian Market)” en “On-Board Firmware testing”);

zijnde geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan,

bestaande die valsheid hierin dat verdachte en zijn mededader(s)

– opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid in genoemde facturen hebben vermeld dat door het bedrijf [A] N.V. vermelde werkzaamheden en/of diensten zijn verricht (voor het bedrijf [B] Ltd), terwijl in werkelijkheid vermelde werkzaamheden en/of diensten niet zijn verricht en

– opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid in genoemde facturen hebben vermeld dat de facturen afkomstig zijn van het bedrijf [A] N.V. en op naam gesteld zijn op het bedrijf [A] N.V., terwijl in werkelijkheid de facturen niet afkomstig zijn van het bedrijf [A] N.V. en

– opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid op genoemde facturen de factuurnummers 91210 en 91213 heeft vermeld als factuurnummers van het bedrijf [A] N.V., terwijl in werkelijkheid vermelde factuurnummers niet zijn uitgegeven door het bedrijf [A] N.V.;

Feit 3: Witwassen

hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 15 november 2011 te Curaçao en Curaçao in de toenmalige Nederlandse Antillen en de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland, tezamen en in vereniging met een ander van geldbedragen van

– 15.000 USD en

– 10.000 USD en

– 50.000 USD en

– 50.000 USD en

– 53.422 USD en

– 20.000 USD,

de herkomst heeft verhuld, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten dat deze geldbedragen – onmiddellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.”

3.2.

Deze bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

“Feiten 1, 2 en 3

1. Een geschrift, te weten een schriftelijke verklaring van de verdachte, op 24 mei 2017 door de verdediging aan het Hof verstrekt, voor zover inhoudende:

Ik ken [betrokkene 1] (het Hof begrijpt: [betrokkene 1] ) al jaren. Begin mei 2010 bood [betrokkene 1] me aan om donaties te doen. [betrokkene 1] wilde niet dat dit publiekelijk bekend werd. Overeengekomen is dat de donatie(s) van [betrokkene 1] zou(den) worden gestort op de rekening van [medeverdachte] (het Hof begrijpt: de medeverdachte [medeverdachte] ). [medeverdachte] wist dat er geld van [betrokkene 1] binnen zou komen op haar rekening. Zij ging hiermee akkoord. Ik heb de bankgegevens van [medeverdachte] aan [betrokkene 1] doorgegeven. Op mijn laptop, alsmede op mijn externe harde schijf, zijn digitale bestanden/facturen aangetroffen. De Sony laptop was van mij. De harde schijf die bij [A] is aangetroffen, is ook van mij. Ik heb [medeverdachte] gevraagd die harde schijf voor mij te bewaren. Ik heb begrepen dat zij die op haar werk heeft bewaard. Op een gegeven moment [is/zijn een van] de aangetroffen (digitale) facturen naar mij toegestuurd door [betrokkene 1] , naar ik mij kan herinneren via [onder meer] e-mail. [betrokkene 1] heeft de donatie in twee keer gegeven. Een eerste keer heeft hij in mei 2010 een bedrag overgemaakt en in juni 2010 heeft hij nogmaals een bijdrage overgemaakt. Er zijn bedragen overgemaakt naar [C] Ltd. Ik ben begunstigde van [C] Ltd. We waren in juni 2010 een paar dagen in Miami (het Hof begrijpt: in de Verenigde Staten van Amerika). [medeverdachte] heeft daar twee cheques op naam van [A] en twee op naam van [verdachte] gekocht. Er is voor 100.000 dollars aan cheques op naam van [A] gekocht. Die twee bedragen (via cheques) zijn op de rekening van [A] gestort en in mindering gebracht op de persoonlijke schuld van [medeverdachte] aan [A] . Van de op naam van [verdachte] gekochte cheques is een groot gedeelte op mijn MCB-rekening gestort. [betrokkene 1] heeft per mail op 29 juni 2010 de op mijn laptop aangetroffen “agreement” gestuurd. Toen ik dit ontving, heb ik het gelezen. Bij de e-mail van 29 juni 2010 was ook een ‘promissary note’ gevoegd. In de e-mail van [betrokkene 1] aan mij op 19 juli 2010 schrijft hij: het vereiste bedrag is heel groot en ik moet het op de een of andere manier terugkrijgen.

Ik had met [betrokkene 1] veel contact over de MFK. [betrokkene 1] had commentaar op de situatie rond Payo en dat zegt hij in een e-mail. In de mail heeft hij de zin opgenomen: “dit is de prijs die we moeten betalen voor het hebben van zo’n nieuwe partij!!”. Destijds overwoog mijn regering om [betrokkene 1] voor te dragen voor een functie/post. Vanuit mijn hoedanigheid als minister-president wilde ik een brief sturen naar de minister van binnenlandse en buitenlandse zaken van Italië. De juridische adviseurs van [betrokkene 1] hebben een draftbrief opgesteld. Deze draftbrief heb ik gebruikt. Ik heb als minister-president een brief gestuurd aan de minister van binnenlandse en buitenlandse zaken van Italië. Ik kreeg op 26 mei 2011 een brief van de Nederlandse ambassadeur van het Koninkrijk te Rome. Deze brief bevatte negatieve informatie over [betrokkene 1] . Nadat ik de brief had ontvangen, heb ik aan [betrokkene 1] laten weten dat er negatieve informatie was binnengekomen. Ik begreep van [betrokkene 1] dat hij erachter is gekomen dat de Italiaanse minister een brief aan mij zou sturen met informatie die totaal anders was dan die van de Nederlandse ambassadeur. [betrokkene 1] stuurde mij een e-mail met de titel “for your eyes only”. In het dossier zit een mailwisseling over de mogelijke aanstelling van [betrokkene 3] . Ik kende [betrokkene 3] een beetje via [betrokkene 1] . [betrokkene 3] kwam als een optie naar voren voor benoeming in de Raad van Commissarissen van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten. Dat er een goedkeuring was voor de voordracht heb ik gemaild naar [betrokkene 3] . In dit e-mailbericht is [betrokkene 1] ge’cced. [betrokkene 3] besloot te bedanken voor de functie. Hij wilde mij vooraf in kennis stellen van zijn weigeringsbrief. [betrokkene 1] heeft mij zijn weigeringsbrief voorgelegd. Ik heb op zijn e-mail geantwoord dat zijn brief prima was.

Het klopt dat [betrokkene 1] mij een e-mail heeft gestuurd over mogelijkheden voor exploratie in de offshore te Curaçao. Hier zat een e-mail bij van [E] SPA. Omdat [betrokkene 1] bekend was met de top van [E] was er bilateraal contact via hem naar ons toe.

[betrokkene 1] heeft mij verteld dat hij een aanbevelingsbrief nodig had in verband met het verkrijgen van een visum in de VS. Ik had van [betrokkene 1] begrepen dat hij wat problemen had met het verkrijgen van een visum. De advocaten van [betrokkene 1] hadden een draft van een aanbevelingsbrief gemaakt. Dat was wat ik toegestuurd kreeg.

Omdat ik formateur was bij het vormen van een regering, zag het advies van [betrokkene 1] soms (ook indirect) op daarmee verband houdende zaken.

2. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep:

Het kan kloppen dat er vier versies van digitale facturen met het logo van [A] op mijn computer zijn aangetroffen. Ik heb die vier versies opgeslagen op mijn computer.

3. Een geschrift, te weten een schriftelijke verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] , op 24 mei 2017 door de verdediging aan het Hof verstrekt, voor zover inhoudende:

Ik heb [betrokkene 1] leren kennen via [verdachte] (het Hof begrijpt: de verdachte). [verdachte] vroeg in de periode maart-mei 2010 of een donatie van [betrokkene 1] op mijn Citibank-rekening mocht worden gestort. Ik ben ermee akkoord gegaan dat de donatie op mijn rekening zou worden gestort en ik heb daartoe mijn bankgegevens aan [verdachte] gegeven. Ik zou een gedeelte van de flinke bedragen die ik had voorgefinancierd door de donatie van [betrokkene 1] terugbetaald krijgen.

Ik heb geconstateerd dat het logo dat op de facturen stond die het RST mij heeft laten zien, een oud logo van [A] was. De harde schijf die bij [A] is aangetroffen, was van [verdachte] . [verdachte] had mij gevraagd die te bewaren. Ik heb deze op mijn werk bewaard, in een bureaula. Zoals gezegd zou een deel van de betaling van [betrokkene 1] dienen als betaling aan mij. Dit kon ik dan weer afboeken van mijn schuld aan [A] . In mei 2010 ontving ik de eerste overboeking en in juni 2010 de tweede. Na de eerste overboeking in mei 2010 heb ik een geldbedrag van 15.000 USD overgeboekt naar [C] Ltd. De creditcard schuld van [C] zou met de donaties van [betrokkene 1] worden afgelost. In juni 2010 waren [verdachte] en ik een paar dagen in Miami. Ik heb daar een aantal cheques gekocht. Een gedeelte daarvan, ter waarde van 100.000 USD, is gekocht op naam van [A] . Dit werd gedaan om mijn schuld af te lossen die ik bij [A] had gemaakt. Dit heb ik zo met [verdachte] afgesproken. Dit bedrag heb ik laten storten op de bankrekening van [A] . Dit bedrag is in mindering gebracht op de persoonlijke schuld die ik bij [A] had. Op dezelfde dag dat ik de cheques op naam van [A] heb gekocht, heb ik ook een cheque gekocht op naam van [verdachte]

. Ik wist van [verdachte] dat een gedeelte van de donatie daarnaartoe moest. Op 14 juni 2010 kwam het tweede gedeelte van de donatie van [betrokkene 1] op mijn rekening. Ik heb toen opnieuw een cheque gekocht op naam van [verdachte] .

4. Een ambtsedig proces-verbaal “vermoeden valsheid in geschrift en witwassen contra [verdachte] en [medeverdachte] en ambtelijke corruptie contra [verdachte] “, gesloten op 11 februari 2015, PV-nummer 187086 (zaakdossier), voor zover inhoudende:

(p. 18) Op 27 augustus 2010 richt verdachte [verdachte] de politieke partij Movementu Future Korsou (MFK) op. Op 10 oktober 2010, bij de totstandkoming van het land Curaçao, is verdachte [verdachte] minister-president van dat land. Deze functie heeft hij bekleed tot eind september 2012.

(p. 24) Verdachte [medeverdachte] is bestuurder en directeur van de vennootschap [A] NV op Curaçao. Deze vennootschap drijft een onderneming in brandstoffen en aanverwante zaken.

(p. 39-41) Tijdens de huiszoeking op 9 december 2013 op het kantooradres van [A] is er in de lade van het bureau van verdachte [medeverdachte] een externe harde schijf aangetroffen. Op die externe harde schijf is op de volgende plaatsen (een gelijke afbeelding van) het bestand “Invoice Ital-0l.xlsx” aangetroffen:

– \GS Documents\Invoice Ital-0l.xlsx

– \info\ [verdachte] \Documents\Invoice Ital-0l.xlsx

– \LAPTOP BACKUP DEC 06 2010\Documents\Invoice
Ital-01.xlsx

De kop van de invoice is voorzien van de companyname en het logo van [A] .

De invoice draagt het nummer 91210. De omschrijving is:

“Advisory and consulting services & Special Services Fees $ 120,000.00”.

De kaderlijn van het vak “description” is doorbroken. Het bestand heeft als laatste datum van schrijven:

19 oktober 2009 en als naam van de auteur: “User”.

(p. 41-43) Een bestand onder de naam “Invoice [B] .xlsx” (het Hof begrijpt dat met [B] wordt bedoeld: [B] Ltd, of [B] Ltd) is aangetroffen op de externe harde schijf op de volgende locaties:

– \info\ [verdachte] \Documents\Invoice [B] .xlsx

– \GS Documents\Invoice [B] .xlsx

– \LAPTOP BACKUP DEC 06 2010\Documents\Invoice [B] .xlsx

De kop van de invoice is voorzien van de companyname en het logo van [A] .

De invoice draagt het nummer 91210. De omschrijving is:

“Electronic materials $ 140,000.00”. De kaderlijn van het vak “description” is doorbroken. Het bestand heeft als laatste datum van schrijven: 29 april 2010 en als naam van de auteur “User”, die ook het bestand als laatste heeft opgeslagen.

(p. 43-45) Tijdens de huiszoeking op 9 december 2013 te Willemstad op het woonadres van verdachten [verdachte] en [medeverdachte] is een laptop computer van het merk Sony in beslag genomen. Op die laptop is het volgende bestand aangetroffen:

\Users\ [verdachte] \AppData\Local\Microsoft\Outlook\ [emailadres]

Dit is een gegevensbestand van het account [emailadres] . In dit e-mailbestand is in de inbox een e-mailbericht aangetroffen waarin het bestand “Invoice [B] .xlsx” als bijlage is meegezonden. De e-mail is op 3 mei 2010 verzonden vanaf het e-mailadres [emailadres] naar [emailadres] . De kop van de als bijlage meegezonden invoice is voorzien van de companyname en het logo van [A] , lauwerkrans met aanduiding “40”, adres: [adres] , achter “for:” de omschrijving “Ital-01”, een totaalbedrag van USD 140.000,00 en omschrijvingen: “Assembly and Testing Player Tracking Module (Vlt Italian market)” en “On-Board Firmware testing”. De kaderlijn van het vak “description” is aan de linkerkant doorbroken. Vermeld wordt dat het bedrag moet worden overgemaakt aan “C/o [medeverdachte] , Citibank, Account #9114349814, SWIFT # CITIUS33, ABA routing #266086554.” De auteur van het bestand is “User”. Het bestand is als laatste opgeslagen door “Proprietario”.

(p. 48-49) Op 10 november 2011 zijn tijdens een huiszoeking bij het bedrijf [B] Ltd. te Rome, Italië, twee invoices aangetroffen op naam van [A] te Willemstad. De invoice met nummer 91210 heeft een totaalbedrag van USD 140.000,00 en heeft als omschrijvingen: “Assembly and Testing Player Tracking Module (Vlt Italian market)” en “On-Board Firmware testing”. De kaderlijn van het vak “description” is doorbroken. De invoice is als bijlage 2 bij dit proces-verbaal gevoegd.

De invoice met nummer 91213 heeft een factuurbedrag van USD 73.447,00. Deze invoice is als bijlage 3 bij dit proces-verbaal gevoegd.

(p. 53) Citibank heeft de informatie verstrekt dat op 14 mei 2010 op een Citibankrekening op naam van verdachte [medeverdachte] een bedrag van USD 140.000,00, afkomstig van [B] Limited via de Banca Popolare di Milano is ontvangen.

(p. 54-55) Vanaf de Citibankrekening van verdachte [medeverdachte] zijn de volgende geldstromen op gang gekomen:

– op 17 mei 2010 is USD 15.000 overgemaakt naar een bankrekening op naam van [C] Limited bij de UBS te Genève in Zwitserland;

– op 14 juni 2010 is USD 10.000 overgemaakt naar een bankrekening op naam van [C] Limited bij de UBS te Genève in Zwitserland;

– op 11 juni 2010 is door middel van drie cheques een bedrag van de Citibankrekening contant opgenomen. Het betreft twee cheques van elk USD 50.000,00 en één cheque van USD 20.000,00;

– op 14 juni 2010 is door middel van een cheque een bedrag van USD 53.422,00 van de Citibankrekening contant opgenomen.

(p. 58-60) Nobrand Ltd. is gevestigd op de Marshall Islands en heeft een bankrekening bij de UBS AG te Genève. Alle door de RST verkregen bankafschriften van die bank zijn geadresseerd aan ” [C] Ltd, BP Geneve”, zonder nadere adresaanduiding.

(p. 66-67) Op 15 juni 2010 is een bedrag van ANG 89.000,00 ontvangen op de MCB rekening van [A] . Op 16 juni 2010 is opnieuw een bedrag van ANG 89.000,00 ontvangen op de MCB rekening van [A] . Deze bedragen zijn in mindering gebracht op de vordering die [A] op verdachte [medeverdachte] heeft.

(p. 75-77) Een bestand onder de naam “Invoice [B] 2.xlsx” is aangetroffen op de externe harde schijf op de volgende locaties:

– \GS Documents\New Campaign MFK 2010\Documents Campaign\Invoice [B] 2.xlsx

– \info\ [verdachte] \Documents\New Campaign MFK 2010\Documents Campaign\Invoice [B] 2.xlsx

– \LAPTOP BACKUP DEC 06 2010\Desktop\New Campaign MFK 2010\Documents Campaign\Invoice [B] 2.xlsx

De kop van de invoice is voorzien van de companyname en het logo van [A] , toont een lauwerkrans met aanduiding “40”, adres: [adres] . Achter “for:” staat “Ital-13”. De omschrijving is: “Assembly and Testing Player Tracking Module (Vlt Italian market)” en “On-Board Firmware testing” en als totaalbedrag $ 73.447,00. De kaderlijn van het vak “description” is aan de linkerkant doorbroken.

Vermeld wordt dat het bedrag moet worden overgemaakt aan “C/o [medeverdachte] , Citibank, Account #9114349814, SWIFT # CITIUS33, ABA routing # 266086554.”

De auteur van het bestand is “User”.

(p. 81-82) Naar aanleiding van een rechtshulpverzoek Italië is een CD-rom verkregen, met excelbestanden erop, waaruit naar voren is gekomen dat vanaf een bankrekening die [B] aanhoudt bij Banco Populare di Milano twee betalingen zijn verricht naar [medeverdachte] bij de Citibank in Amerika, waaronder een bedrag van € 61.240,71 op 10 juni 2010.

Informatie van Citibank USA houdt in dat op 14 juni 2010 USD 73.422,00 door de Banco Populare di Milano is gestort op de rekening van [medeverdachte] , met als opdrachtgever [B] Limited.

(p. 85) De twee cheques met een totaalbedrag van USD 73.422,00 zijn op 15 juni 2010 aangeboden aan de Orco Bank te Curaçao en bijgeschreven op de bankrekening van [verdachte] .

(p. 92-98) Op de in beslag genomen Sony laptop zijn aangetroffen:

– document betreffende visumaanvraag [betrokkene 1]

(bijlage 105);

– documenten betreffende overwogen benoeming [betrokkene 3] (bijlagen 95 en 102); [betrokkene 3] is de managing director van [D] NV, een rechtspersoon waarvan [betrokkene 1] aandeelhouder is.

– niet-ondertekende overeenkomst oprichting MFK

(bijlage 78);

– e-mailbericht van [betrokkene 1] van 12 september 2010 (bijlage 89);

– niet-ondertekende promissory note (bijlage 93);

– e-mailbericht van [betrokkene 1] van 19 juli 2010

(bijlage 117);

Op de in beslag genomen externe harde schijf zijn aangetroffen:

– niet-ondertekende overeenkomst oprichting MFK

(bijlage 4);

– niet-ondertekende promissory note (bijlage 5);

– document betreffende brief aan de Italiaanse minister van buitenlandse zaken (bijlage 95).

4a. Bijlage 2 bij voornoemd proces-verbaal, p. 4, zijnde een geschrift:

Een kopie van een invoice d.d. 4 mei 2010, uitgeschreven aan [B] Ltd, voorzien van de companyname en het logo van [A] , lauwerkrans met aanduiding “40”, adres: [adres] , achter “for:” de omschrijving “Ital-01”, een totaalbedrag van USD 140.000,00 en omschrijvingen: “Assembly and Testing Player Tracking Module (Vlt Italian market)” en

“On-Board Firmware testing”. De kaderlijn van het vak “description” is aan de linkerkant doorbroken. Vermeld wordt dat het bedrag moet worden overgemaakt aan “C/o [medeverdachte] , Citibank, Account #9114349814, SWIFT # CITIUS33, ABA routing # 266086554.”

4b. Bijlage 3 bij voornoemd proces-verbaal, p. 6, zijnde een geschrift:

Een kopie van een invoice d.d. 7 juni 2010, uitgeschreven aan [B] Ltd, voorzien van de companyname en het logo van [A] , lauwerkrans met aanduiding “40”, adres: [adres] , achter “for:” de omschrijving “Ital-13”, een totaalbedrag van USD 73.447,00 en omschrijvingen: “Assembly and Testing Player Tracking Module (Vlt Italian market)” en “On-Board Firmware testing”. De kaderlijn van het vak “description” is aan de linkerkant doorbroken. Vermeld wordt dat het bedrag moet worden overgemaakt aan “C/o [medeverdachte] , Citibank, Account #9114349814, SWIFT # CITIUS33, ABA routing # 266086554.”

4c. Bijlage 4 bij voornoemd proces-verbaal, onderbijlage (p. 13), zijnde de printout van een computerdocument, getiteld [betrokkene 1] – [verdachte] .docx, voor zover inhoudende:

“AGREEMENT

Between

[betrokkene 1] (…)

And

[verdachte] (…),

WHEREAS

[betrokkene 1] and [verdachte] are desirous to set up a new political party in Curaçao, to be named MFK, to be controlled by both parties on an equal share basis.

(…)

NOW THEREFORE IT IS MUTUALLY AGREED UPON AS FOLLOWS

Parties agree to jointly take all decisions relating to MFK and specifically, but not limited to: the determination of the persons who will feature on a list of MFK for any and all elections (…)

In the event that [verdachte] takes unilateral decisions for and on behalf of MFK of which [betrokkene 1] has not been advised or informed or his not given his consent to [betrokkene 1] may opt to either (…) or to withdraw from this Agreement (…). In the latter case [verdachte] may be put in default by [betrokkene 1] of a certain promissory note between Parties.

Signed on this __ day of June 2010 (…)”

4d. Bijlage 5 bij voornoemd proces-verbaal, onderbijlage (p. 22), zijnde een printout van een computerdocument, getiteld prom note [verdachte] .doc, voor zover inhoudende:

“Promise to pay. For monies received on loan,

[verdachte] (Borrower) promises to pay [betrokkene 1] (Lender) $700.000,- and interest at the yearly rate of 6% (six percent) on the unpaid balance as specified below.”

4e. Bijlage 78 bij voornoemd proces-verbaal, onderbijlage (p. 273), zijnde een printout van een computerdocument, getiteld [betrokkene 1] – [verdachte] .docx, en met dezelfde inhoud als hiervoor weergegeven bij bijlage 4.

4f. Bijlage 89 bij voornoemd proces-verbaal, onderbijlage (p. 404-405), zijnde een printout van een e-mailbericht van [betrokkene 1] aan de verdachte van 12 september 2010, voor zover inhoudende:

“Unfortunately as I told you as soon you get 300 people that vote for you all of a sudden you become Einstein and have the cure of all the world problems. (…) Just because you are a good doctor does not mean you can be a good health minister. (…) Well this is the price we have to pay for having such a new party!!!

(…)

Below an email that I just received from Payo.”

4g. Bijlage 93 bij voornoemd proces-verbaal, onderbijlage (p. 437-446), zijnde een printout van e-mailberichten van [betrokkene 3] aan [betrokkene 1] en van [betrokkene 1] aan de verdachte van 29 juni 2010, voor zover inhoudende:

[betrokkene 3] aan [betrokkene 1] :

“Hi [betrokkene 1] , have a look at attached draft docs for [verdachte] and let me know your comments.”

[betrokkene 1] aan de verdachte:

“Hi [verdachte] , this are the two documents I wish to sign. Please review them and make the necessary corrections.”

Met als bijlagen een document [betrokkene 1] – [verdachte] .docx en een document prom note [verdachte] .doc, zoals weergegeven in bijlagen 4 en 5.

4h. Bijlage 95 bij voornoemd proces-verbaal, onderbijlagen, zijnde:

(p. 544) de afdruk van een document, ingericht als brief van de minister-president van Curaçao aan de minister van Binnenlandse Zaken van Italië, voor zover inhoudende:

“The Government which I have the honour to chair, will soon take a decision to give [betrokkene 1] a prestigious and important instutional function.

The investigative work carried out by our authorities has allowed us to determine the absolute fitness of Mr. [betrokkene 1] , which happens to be also a citizen of your country where he is a reputed businessman.

Having to finalize the appointment procedure, I would be grateful if you can send me, by way of your Ministry, a note on the reputation that Mr. [betrokkene 1] has.”

(p. 546) de afdruk van een document, ingericht als brief van 26 mei 2011 van de ambassadeur van het Koninkrijk der Nederlanden te Rome aan de verdachte als minister-president, voor zover inhoudende:

“Prefect Mazzuca (…) verstrekte mondeling de volgende informatie met verzoek deze aan de autoriteiten van Curaçao over te brengen.

– Van [betrokkene 1] (…) zijn geen strafrechtelijke veroordelingen bekend;

– Bij politieonderzoek gedurende de jaar 1995-1997 inzake [betrokkene 1] is gebleken dat:

– Deze persoon betrokken was bij internationale drugshandel en [betrokkene 1] een belangrijke persoon betrof in de Siciliaanse maffia;

– Na (…) is [betrokkene 1] een toeristisch centrum in Sint Maarten gestart via welke witwassen van geld plaatsvond.

– Deze informatie is zowel door de Italiaanse politie als de Italiaanse inlichtingendienst bevestigd.”

(p. 560) de afdruk van een document, ingericht als e-mailbericht van [betrokkene 1] van 4 juni 2011 aan de verdachte, voor zover inhoudende:

“Dear [verdachte] , in order to use the info I will send you a letter requesting where my nomination stands. You will reply that you have gotten negative info on my name from the Italian counterpart and so you cannot proceed. And from there I or my lawyers will ask what kind of informations and you will be obliged to release them.”

(p. 562) de afdruk van een document, ingericht als e-mailbericht van de secretaris-generaal van het Ministerie van Algemene Zaken aan [betrokkene 1] van 8 juni 2011 aan [betrokkene 1] , voor zover inhoudende:

“Dear [betrokkene 1] , hope you are fine, here is the information we received through the Dutch embassy in Italy.”

(p. 571) de afdruk van een document, ingericht als e-mailbericht van [betrokkene 1] aan onder meer de verdachte van 30 juni 2011, voor zover inhoudende:

“For your eyes only reserved.

This is the letter translated that you will receive from foreign affairs.

(…)

In relation to the request made by the Minister of Curacao on the proposal to give the coral a Italian citizen francis institutional function, notice that the findings made by the SDI nothing is found against the appointed object which is also free of slope or from prosecution to the competent judicial offices.”

4i. Bijlage 102 bij voornoemd proces-verbaal, onderbijlagen, zijnde:

(p. 635) de afdruk van een document, een curriculum vitae van [betrokkene 3] , met als (hoogste) opleiding de Hotelschool te Den Haag;

(p. 638) een e-mailbericht van 22 maart 2011 van de verdachte aan [betrokkene 3] , met cc naar [betrokkene 1] , voor zover inhoudende: “Green light, will be passed tomorrow in the council of ministers”, en een antwoord van [betrokkene 3] , inhoudende: “Great!”

(p. 639-643) een e-mailbericht van 1 april 2011 van [betrokkene 3] aan [betrokkene 1] , inhoudende “pls tell me your opinion”, met als bijlage een brief waarin [betrokkene 3] de benoeming voor de functie van voorzitter van de Raad van Commissarissen van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten weigert.

(p. 653) twee e-mails van 1 april 2011 van de verdachte met als subject “brief [betrokkene 3] “, de eerste inhoudende “Lek esaki abo!” (lek jij dit!) en de tweede inhoudende “pa di 2 X biaha” (voor de tweede keer).

4j. Bijlage 105 bij voornoemd proces-verbaal, onderbijlagen, zijnde:

(p. 756) een e-mailbericht van [betrokkene 1] aan de verdachte van 23 februari 2012, voor zover inhoudende:

“los abogados de Miami me pidieron si tu puedes firmar una carta de este tipo para mi proxima reunion en la visa del consulado.”

(de advocaten van Miami hebben mij gevraagd of jij een gelijksoortige brief kunt tekenen voor mijn eerstvolgende vergadering in visum van het consulaat.

(p. 759) een conceptbrief, voor zover inhoudende:

“[TO BE PRINTED ON OFFICIAL STATIONARY OF THE OFFICE OF THE PRIME MINISTER]

Dear Consul Belon:

In my official capacity as Prime Minister of Curacao, I am submitting this letter in support of [betrokkene 1] ‘s application for a multiple entry, B-l/B-2 U.S. visa.”

4k. Bijlage 117 bij voornoemd proces-verbaal, onderbijlage (p. 901), zijnde een e-mailbericht van [betrokkene 1] van 19 juli 2010 aan de verdachte, voor zover vertaald inhoudende (p. 900):

“Tot nu toe heb ik jou heel veel gesteund zonder jou iets hiervoor te vragen maar het vereiste bedrag is heel groot en ik moet het op de één of andere manier terugkrijgen.”

4l. Bijlage 142 bij voornoemd proces-verbaal, p. 1413, zijnde een geschrift:

Een verklaring van mr. S.R. Cijntje, griffier van de Staten van Curaçao, voor zover inhoudende dat de verdachte [verdachte] van 30 juni 2007 tot 8 oktober 2010 lid is geweest van de Eilandsraad van het Eilandgebied Curaçao.

5. Een ambtsedig proces-verbaal “verhoor getuige

R.A. Doran”, gesloten op 23 mei 2014 (getuigendossier, p. 11-23), voor zover inhoudende als verklaring van R.A. Doran:

Ik ben onderdirecteur van [A] N.V.

[Wij tonen de getuige facturen 91210 en 91213, aangetroffen in Italië bij [B] Ltd.]

Deze facturen zijn niet afkomstig uit onze administratie. [A] doet geen zaken met Italië.

6. Een ambtsedig proces-verbaal “verhoor getuige [betrokkene 1] “, gesloten op 20 mei 2014 (getuigendossier, p. 49-64), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] :

Ik ben aandeelhouder van [B] Ltd of [B] Ltd. Het is een groot bedrijf dat de gokautomaten controleert en de belastingen incasseert van bedrijven voor de Italiaanse overheid. Ik ken [verdachte] reeds ongeveer 15 jaar. Zijn vriendin heeft een bedrijf.

[Medegedeeld: er is een ongetekende overeenkomst tussen [verdachte] en [betrokkene 1] aangetroffen waarin beiden het verlangen uitspreken een politieke partij op te richten met de naam MFK, de beide oprichters zullen in het algemeen gezamenlijk de beslissingen nemen in de nieuwe politieke partij en in het bijzonder beslissingen over plaatsingen van kandidaten op de kieslijst] Ik weet dat [verdachte] hiermee bezig is geweest. Ik weet dat hij mij gevraagd heeft de partij te financieren. Ik heb [E] Spa in contact gebracht met de overheid in Curaçao.

7. Een Italiaans proces-verbaal “procedimento penale n. 151/2014 RGGIP Rog. Allegato N. 3″ van 20 maart 2014 (getuigendossier p. 108-129), zoals vertaald, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 5] :

Ik ben sinds mei 2010 administratief en financieel manager bij [B] . De feitelijke eigenaar van dit bedrijf is [betrokkene 1] .”

3.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering voorts onder meer het volgende overwogen:

“Feit 1

Uit de bewijsmiddelen volgt dat een bedrijf van [betrokkene 1] op 14 mei 2010 USD 140.000,00 en op 14 juni 2010 nog USD 73.422,00 heeft betaald op een bankrekening van de medeverdachte [medeverdachte] . [betrokkene 1] wilde niet dat dit bekend werd.

Op 29 juni 2010 heeft [betrokkene 1] per e-mail twee documenten naar de verdachte gemaild. Het ene is een contract volgens welke hij zeggenschap zou krijgen in alle beslissingen betreffende de MFK, op straffe van het aanspraak kunnen maken op een betaling van USD 700.000,- op basis van een promissory note. Het andere is die promissory note zelf. Op 19 juli 2010 heeft [betrokkene 1] per e-mail aan de verdachte bericht dat het van hem gevraagde bedrag heel groot is en dat [betrokkene 1] het op de een of andere manier moet terugkrijgen.

Op 12 september 2010 heeft [betrokkene 1] een e-mailbericht gestuurd, waarin hij vermeldt dat hij Payo geen goede kandidaat-minister vindt, en dat “wij” een nieuwe partij hebben.

Op 22 maart 2011 heeft de verdachte [betrokkene 1] bericht dat het voorstel voor de benoeming van [betrokkene 3] , die voor [betrokkene 1] werkte en de Hotelschool als hoogste genoten opleiding had, als voorzitter van de Raad van Commissarissen van de Centrale Bank van Curaçao zal worden aangenomen door de Raad van Ministers;

In de eerste helft van 2011 heeft de verdachte een brief aan een Italiaanse minister gestuurd, waarin hij vermeldt dat [betrokkene 1] binnenkort een prestigieuze en belangrijke functie zal krijgen en dat hij daarvoor absoluut geschikt wordt geacht.

De verdachte heeft een kritische brief over [betrokkene 1] ontvangen, die hij (via de secretaris-generaal) aan [betrokkene 1] heeft doorgezonden, en vervolgens heeft de verdachte een vertrouwelijke e-mail van [betrokkene 1] ontvangen met de inhoud van een andere brief die de verdachte volgens die mail zou krijgen.

Op 23 februari 2012 heeft [betrokkene 1] aan de verdachte een conceptbrief toegezonden met de bedoeling dat de verdachte een brief zou laten opstellen en tekenen om [betrokkene 1] te helpen een visum voor de Verenigde Staten te verkrijgen.

Voorts heeft [betrokkene 1] het Italiaanse bedrijf [E] in contact gebracht met de overheid in Curaçao ten tijde van het kabinet- [verdachte] .

Uit deze bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, leidt het Hof af dat de verdachte de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen heeft aangenomen, wetende dat deze giften hem werden gedaan om hem ertoe te bewegen te handelen overeenkomstig hetgeen in de bewezenverklaring is gespecificeerd. Ook leidt het Hof eruit af dat de verdachte ten tijde van het aannemen van de geldbedragen wist dat dit handelen, zoals in de bewezenverklaring gespecificeerd, in strijd met zijn plicht als ambtenaar zou zijn. Dit is ook zo als de giften (deels) zijn aangewend ter bestrijding van de kosten van de activiteiten van de MFK. Indien de gelden met dat doel zijn verstrekt, staat dat niet in de weg aan het oordeel dat die verstrekking dient te worden aangemerkt als een gift.

Het is niet aannemelijk geworden dat [betrokkene 1] de giften heeft gedaan zonder in ruil daarvoor de bedoelde handelwijze van de verdachte te verlangen, en evenmin dat de verdachte daarvan uitging. Het e-mailbericht van 19 juli 2010 vermeldt bijna expliciet het tegendeel. Over een eventuele andere manier waarop de inhoud van dit e-mailbericht zou moeten worden geduid, heeft de verdachte niets concreets verklaard. Aan de omstandigheid dat de verdachte de ‘agreement’ en de ‘promissory note’ niet heeft getekend, zoals de verdachte heeft aangevoerd, hecht het Hof geen waarde. De verdachte heeft immers de door [betrokkene 1] gegeven bedragen gehouden, toen hij al wist dat er sprake was van valse facturen, en ook na kennisneming van de ‘agreement’ en de ‘promissory note’, met hun onmiskenbaar ongeoorloofde strekking. Hij was hierdoor bekend met de intentie van [betrokkene 1] en heeft zich vervolgens gedragen overeenkomstig diens instructies, zoals uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt.

Dat de handelingen die hij op verzoek of instructie van [betrokkene 1] verrichtte op zichzelf beschouwd niet strafbaar of onzakelijk zouden zijn, maar gebruikelijk zouden zijn voor een ambtenaar, gezagsdrager of politicus, zoals de verdachte stelt, doet – wat daar overigens van zij – daaraan niet af. Uit het voorgaande blijkt immers dat de verdachte zich heeft laten betalen voor de te verrichten diensten, hetgeen in zijn toenmalige positie strafbaar was.

Feit 3

Uit de bewijsmiddelen volgt dat op de Amerikaanse Citibankrekening van de medeverdachte [medeverdachte] op 14 mei 2010 USD 140.000,00 is ontvangen, afkomstig van [B] . Op 17 mei 2010 is USD 15.000,00 overgemaakt naar een Zwitserse bankrekening van [C] Limited, een op de Marshall Islands gevestigde rechtspersoon, waarvan de verdachte de begunstigde is. De bankafschriften van deze bankrekening vermelden noch de naam, noch het adres van de verdachte.

Op 11 juni 2010 hebben de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] USD 120.000,00 van de Citibankrekening contant opgenomen en cheques gekocht van het opgenomen bedrag.

Op 14 juni 2010 is op de Amerikaanse bankrekening nog USD 73.422,00 ontvangen, ook afkomstig van [B] .

Op 14 juni 2010 is vanaf de Amerikaanse bankrekening nog USD 15.00,000 overgemaakt naar de Zwitserse bankrekening en nog USD 53.422,00 contant opgenomen en van het opgenomen bedrag is een cheque gekocht.

Twee van de in totaal vier cheques zijn op 15 juni 2010 aangeboden aan de Orco Bank in Curaçao en bijgeschreven op de bankrekening van [verdachte] . De andere twee hebben op respectievelijk 15 juni 2010 en 16 juni 2010 geleid tot bijschrijvingen op een bankrekening van [A] bij de MCB Bank in Curaçao.

Deze gang van zaken heeft tot gevolg gehad dat noch uit de boekhouding van de MFK, noch uit die van [verdachte] , noch uit die van [C] Limited, noch uit die van [A] , noch uit die van de verdachte kon blijken dat er gelden ontvangen waren van [betrokkene 1] of van [B] Ltd (uit de administratie van de medeverdachte [medeverdachte] kon dat slechts blijken als men ermee bekend was dat zij de Amerikaanse bankrekening had). De verdachte heeft verklaard dat [betrokkene 1] niet wilde dat publiekelijk bekend zou worden dat hij bedragen doneerde.

Uit het voorgaande, in samenhang beschouwd, leidt het Hof af dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] gezamenlijk de herkomst hebben verhuld van de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen. Het betoog van de raadsman dat de geldtransacties transparant zijn geweest, vindt hierin zijn weerlegging. Zijn stelling dat pas sprake is van witwassen als het geld ‘verdwijnt’, vindt geen steun in de wet of jurisprudentie en wordt door het Hof verworpen. De omschreven gedragingen gaan ook verder dan het enkel houden van uit eigen misdrijf afkomstige gelden. Dat het geld op eigen rekeningen is gestort en de cheques zijn verantwoord in de administratie van [A] doet daaraan niet af.

Deze geldbedragen waren afkomstig uit het misdrijf ambtelijke omkoping dat aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd. De verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] wisten dat.”

4Beoordeling van het achtste middel

4.1.Het middel klaagt dat het onder 1 bewezenverklaarde, voor zover inhoudende dat de verdachte is omgekocht om in zijn ‘bediening’ iets te doen of na te laten, niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. Het betoogt daartoe dat de bewezenverklaring ziet op het aannemen van giften door de verdachte als eilandsraadslid van het Eilandsgebied Curaçao, terwijl de bewijsvoering betrekking heeft op gedragingen van de verdachte in de periode waarin hij niet meer eilandsraadslid was van Curaçao, maar minister-president.

4.2.1.De tenlastelegging is toegesneden op art. 379, aanhef en onder 1°, Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (verder: SrNA). Daarom moet de daarin voorkomende term ‘bediening’ geacht worden te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in dat artikel.

4.2.2.

Art. 379, aanhef en onder 1°, SrNA luidde ten tijde van het tenlastegelegde feit als volgt:

“Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren wordt gestraft de ambtenaar:

1°. die eene gift of belofte aanneemt, wetende dat zij hem gedaan wordt ten einde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijne bediening iets te doen of na te laten.”

4.3.Het middel berust in de kern op de opvatting dat de ‘bediening’ in de zin van art. 379 SrNA uitsluitend betrekking kan hebben op de functie van de ambtenaar ten tijde van het aannemen van de gift, en niet (mede) op een toekomstige functie van die ambtenaar.

4.4.1.Die opvatting is in haar algemeenheid onjuist. Het in deze zaak toepasselijke art. 379 SrNA is naar de kern bezien gelijkluidend aan art. 363 (oud) Sr. Mede gelet op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 104 weergegeven wetsgeschiedenis van art. 363 Sr moet worden aangenomen dat het in art. 379 SrNA voorkomende begrip ‘bediening’ ook het als ambtenaar aannemen van giften in verband met handelingen te verrichten in een nieuwe ambtelijke functie, binnen het bereik van deze strafbepaling kan brengen.

4.4.2.

In het onderhavige geval blijkt uit de bewijsvoering dat de verdachte lid was van de Eilandsraad ten tijde van het aannemen van de giften, welke bestonden uit bedragen van $ 140.000,- respectievelijk $ 73.422,- en welke werden gedaan door of namens [betrokkene 1] . Voorts blijkt daaruit dat de verdachte in die periode doende was met de oprichting van een nieuwe politieke partij, Movementu Future Korsou (MFK), teneinde deel te nemen aan de komende eilandsraadsverkiezingen. Na de oprichting van MFK en deelname aan de verkiezingen werd de verdachte minister-president van Curaçao. Daarnaast heeft het Hof vastgesteld dat [betrokkene 1] in de periode tussen het aannemen van de giften en de daadwerkelijke oprichting van MFK onder meer een contract naar de verdachte heeft gemaild waarin staat dat [betrokkene 1] zeggenschap zou krijgen in alle beslissingen betreffende MFK, op straffe van een aanspraak jegens de verdachte op een betaling van $ 700.000,- op basis van een promissory note. Ook heeft [betrokkene 1] in die periode aan de verdachte gemaild: “Tot nu toe heb ik jou heel veel gesteund zonder jou iets hiervoor te vragen maar het vereiste bedrag is heel groot en ik moet het op de één of andere manier terugkrijgen.” Het Hof heeft tegen deze achtergrond bewezen geacht dat voornoemde giften aan de verdachte werden gedaan teneinde hem “te bewegen om (…) in zijn bediening iets te doen of na te laten”.

4.4.3.Het mede op dit een en ander gebaseerde oordeel van het Hof dat de giften aan de verdachte werden gedaan teneinde “in zijn bediening” iets te doen of na te laten, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.

4.5.Het middel faalt.

5Beoordeling van het negende middel

5.1.Het middel komt op tegen de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde en klaagt onder meer over het oordeel van het Hof dat sprake is van een door de verdachte aangenomen ‘gift’ in de zin van art. 379 SrNA. Het stelt daartoe dat slechts sprake is geweest van financiering voor de op te richten partij MFK.

5.2.Een ‘gift’ in de zin van art. 379 SrNA omvat elk overdragen aan een ander van iets dat voor deze ander waarde heeft (vgl. met betrekking tot art. 177 Sr: HR 25 april 1916, ECLI:NL:HR:1916:32, NJ 1916, p. 551). Dat een gift wordt gedaan in het kader van bijvoorbeeld ‘fundraising’ staat er niet aan in de weg dat sprake kan zijn van een ‘gift’ als bedoeld in art. 379 SrNA (vgl. HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8328).

5.3.In de overwegingen van het Hof, zoals hiervoor onder 3.3 weergegeven, ligt als zijn oordeel besloten dat de beide in de bewezenverklaring onder 1 genoemde geldbedragen ook waarde hadden voor de verdachte indien zij geheel of gedeeltelijk zijn benut ter bestrijding van de kosten van de activiteiten van de (mede) door de verdachte op te richten partij MFK, zodat ook in dat geval sprake is van giften als bedoeld in art. 379 SrNA. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is, ook in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, toereikend gemotiveerd.

5.4.Het middel faalt in zoverre.

6Beoordeling van het elfde middel

6.1.Het middel komt op tegen het onder 3 bewezenverklaarde medeplegen van witwassen en klaagt over het oordeel van het Hof dat sprake is van ‘verhullen’ in de zin van art. 435c, eerste lid onder a, SrNA.

6.2.1.De tenlastelegging is toegesneden op art. 435c, eerste lid onder a, SrNA. Daarom moet de daarin voorkomende term ‘verhullen’ geacht worden te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in dat artikel.

6.2.2.

Art. 435c, eerste lid aanhef en onder a, SrNA luidde ten tijde van het tenlastegelegde feit als volgt:

“1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van ten hoogste een miljoen gulden:

a.

hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet of begrijpt dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.”

6.3.

Art. 435c, eerste lid onder a, SrNA is naar de kern bezien gelijkluidend aan art. 420bis, eerste lid onder a, Sr. Het ‘verhullen’ als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder a, Sr heeft betrekking op gedragingen die erop zijn gericht het zicht op – onder andere en voor zover hier van belang – de herkomst van de geldbedragen te bemoeilijken. Die gedragingen moeten tevens geschikt zijn om dat doel te bereiken (vgl. HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:236). Dit geldt ook voor art. 435c, eerste lid onder a, SrNA.

6.4.

Het Hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander, [medeverdachte] , de herkomst van geldbedragen heeft verhuld terwijl de verdachte en [medeverdachte] wisten dat die geldbedragen onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten de onder 1 bewezenverklaarde ambtelijke omkoping. Het Hof heeft in dat verband onder meer vastgesteld dat:

– de verdachte en [betrokkene 1] overeenkwamen dat bedragen zouden worden gestort op de bankrekening van [medeverdachte] omdat [betrokkene 1] niet wilde dat publiekelijk bekend werd dat door hem donaties werden gedaan ten behoeve van de verdachte en/of MFK;

– de verdachte in het voorjaar van 2010 aan [medeverdachte] heeft gevraagd of donaties van [betrokkene 1] op haar Amerikaanse rekening bij de Citibank mochten worden gestort en dat [medeverdachte] daarmee heeft ingestemd;

– [medeverdachte] op 14 mei en 14 juni 2010 twee overboekingen van $ 140.000,- respectievelijk $ 73.422,- heeft ontvangen op haar Citibankrekening, welke betalingen afkomstig waren van [B] Ltd, zijnde een bedrijf waarvan [betrokkene 1] aandeelhouder en feitelijke eigenaar was;

– [medeverdachte] op 17 mei 2010, na de eerste storting, een bedrag van $ 15.000,- heeft overgeboekt van de Citibankrekening naar een Zwitserse bankrekening op naam van [C] Ltd, gevestigd op de Marshall Islands, waarvan de verdachte de begunstigde was en waarvan de bankafschriften geen nadere adresaanduiding bevatten;

– de verdachte en [medeverdachte] op 11 juni 2010 in Miami $ 120.000,- contant van de Citibankrekening hebben opgenomen en van dat opgenomen bedrag drie cheques hebben gekocht, twee van elk $ 50.000,- en één van $ 20.000,-;

– op 14 juni 2010, de dag van de tweede storting op de Citibankrekening van [medeverdachte] , een bedrag van $ 10.000,- is overgemaakt naar de Zwitserse bankrekening op naam van [C] Ltd en dat op die bankafschriften geen nadere adresaanduiding is vermeld;

– eveneens op 14 juni 2010 van de Citibankrekening een bedrag van $ 53.422,- contant is opgenomen en van dat bedrag een cheque is gekocht;

– op 15 juni 2010 twee cheques tot een totaal van $ 73.422,- zijn aangeboden aan de Orco Bank te Curaçao en zijn bijgeschreven op de bankrekening van [verdachte] ;

– op 15 en 16 juni 2010 bijschrijvingen hebben plaatsgevonden op de bankrekening van [A] bij de MCB Bank in Curaçao tot een bedrag van (telkens) ANG 89.000,-;

– deze gang van zaken tot gevolg heeft gehad dat noch uit de boekhouding van MFK, noch uit die van [verdachte] , noch uit die van [C] Ltd, noch uit die van [A] , noch uit die van de verdachte kon blijken dat er gelden waren ontvangen van [betrokkene 1] of van [B] Ltd.

6.5.Het onder meer op deze vaststellingen gebaseerde oordeel van het Hof dat dit complex van betalingen en andere financiële transacties erop was gericht de herkomst van de door [betrokkene 1] betaalde geldbedragen te verhullen en daartoe ook geschikt was, is niet onbegrijpelijk en, ook in het licht van hetgeen van de zijde van de verdediging is aangevoerd, toereikend gemotiveerd.

6.6.Het middel faalt.

7Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

8Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 november 2018.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
27-11-2018
Zaaknummer
17/03980
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:922
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Veroordeling partner van voormalig minister-president Curaçao voor o.m witwassen, art. 435c.1.a SrNA. Bewijsklacht m.b.t. vraag of verdachte en haar mededader “wisten of begrepen” dat de geldbedragen waarvan zij de herkomst hebben verhuld “afkomstig waren uit enig misdrijf”. Het Hof heeft bewezenverklaard dat verdachte van geldbedragen de herkomst heeft verhuld, terwijl zij en haar mededader wisten of begrepen dat deze geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf. Daarbij is het Hof ervan uitgegaan dat niet is bewezen dat verdachte bekend was met de specifieke aard van dat misdrijf – te weten: de ambtelijke omkoping van haar mededader door A – waardoor het geld is verkregen. Wel heeft het Hof bewezen geacht dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het geld uit enig misdrijf afkomstig was. ‘s Hofs oordeel dat uit de door hem vastgestelde f&o volgt dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de op haar rekening ontvangen geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. De omstandigheid dat verdachte ervan uitging dat die (uit misdrijf afkomstige) geldbedragen strekten ter ondersteuning van de politieke activiteiten van haar mededader, doet daaraan niet af. Volgt verwerping. Samenhang met 17/03977.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 november 2018

Strafkamer

nr. S 17/03980 A

SG/CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 21 juli 2017, nummer H 39/16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978.

1Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben G.G.J.A. Knoops en J.A. Baaijens, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman G.G.J.A. Knoops heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2Beoordeling van het vierde middel

2.1.Het middel klaagt over het bewezenverklaarde witwassen voor zover het Hof onder 2 heeft bewezenverklaard dat de verdachte en haar mededader “wisten of begrepen” dat de geldbedragen waarvan zij de herkomst hebben verhuld “afkomstig waren uit enig misdrijf”.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

“zij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 15 november 2011 te Curaçao en Curaçao in de toenmalige Nederlandse Antillen en de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland, tezamen en in vereniging met een ander van geldbedragen van

– 15.000 USD en

– 10.000 USD en

– 50.000 USD en

– 50.000 USD en

– 53.422 USD en

– 20.000 USD,

de herkomst heeft verhuld, terwijl zij, verdachte en haar mededader wisten of begrepen dat deze geldbedragen – onmiddellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.”

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een geschrift, te weten een schriftelijke verklaring van de verdachte, op 24 mei 2017 door de verdediging aan het Hof verstrekt, voor zover inhoudende:

Ik heb [betrokkene 1] (het Hof begrijpt: [betrokkene 1] ) leren kennen via [medeverdachte] (het Hof begrijpt: de medeverdachte [medeverdachte] ). [medeverdachte] vroeg in de periode maart-mei 2010 of een donatie van [betrokkene 1] op mijn Citibank-rekening mocht worden gestort. Ik ben ermee akkoord gegaan dat de donatie op mijn rekening zou worden gestort en ik heb daartoe mijn bankgegevens aan [medeverdachte] gegeven. Ik zou een gedeelte van de flinke bedragen die ik had voorgefinancierd door de donatie van [betrokkene 1] terugbetaald krijgen.

In mei 2010 ontving ik de eerste overboeking en in juni 2010 de tweede. Na de eerste overboeking in mei 2010 heb ik een geldbedrag van 15.000 USD overgeboekt naar [C] Ltd. De creditcard schuld van [C] zou met de donaties van [betrokkene 1] worden afgelost. In juni 2010 waren [medeverdachte] en ik een paar dagen in Miami. Ik heb daar een aantal cheques gekocht. Een gedeelte daarvan, ter waarde van 100.000 USD, is gekocht op naam van [A] . Dit werd gedaan om mijn schuld af te lossen die ik bij [A] had gemaakt. Dit heb ik zo met [medeverdachte] afgesproken. Dit bedrag heb ik laten storten op de bankrekening van [A] . Dit bedrag is in mindering gebracht op de persoonlijke schuld die ik bij [A] had. Op dezelfde dag dat ik de cheques op naam van [A] heb gekocht, heb ik ook een cheque gekocht op naam van [medeverdachte] . Ik wist van [medeverdachte] dat een gedeelte van de donatie daarnaartoe moest. Op 14 juni 2010 kwam het tweede gedeelte van de donatie van [betrokkene 1] op mijn rekening. Ik heb toen opnieuw een cheque gekocht op naam van [medeverdachte].

2. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 12 juni 2017, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat [medeverdachte] aan mij heeft gevraagd of er bepaalde bedragen op mijn rekening in de USA konden worden gestort. Ik vond dat goed. Ik wilde niet dat het op mijn privérekening in Curaçao zou worden gestort. Hij heeft mij de hoogte van de bedragen genoemd. De betalingen waren afkomstig van een ander bedrijf, maar ik wist dat het geld afkomstig was van [betrokkene 1] . Het was bedoeld voor de campagne. Ik had begrip voor zijn wens om de betalingen niet aan [medeverdachte] te doen, maar via mijn rekening, zodat het anoniem zou blijven. [medeverdachte] en ik hebben in Amerika het geld met cheques van mijn bankrekening opgenomen, dat is makkelijker, vooral als het om grotere bedragen gaat. Je toont je paspoort en je pas aan de balie en dan kan je het geld meteen opnemen. Ik kan met die rekening ook internetbankieren, maar dat is gecompliceerder, met name bij bedragen van meer dan 10.000 dollar. De betaling wordt dan namelijk eerst ongeveer een week aangehouden. Je moet redenen geven en dan gaan ze je bellen en moet je je identificeren.

3. Een geschrift, te weten een schriftelijke verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] , op 24 mei 2017 door de verdediging aan het Hof verstrekt, voor zover inhoudende:

Ik ken [betrokkene 1] al jaren. Begin mei 2010 bood [betrokkene 1] me aan om donaties te doen. [betrokkene 1] wilde niet dat dit publiekelijk bekend werd. Overeengekomen is dat de donatie(s) van [betrokkene 1] zou(den) worden gestort op de rekening van [verdachte] (het Hof begrijpt: de medeverdachte [verdachte] ). [verdachte] wist dat er geld van [betrokkene 1] binnen zou komen op haar rekening. Zij ging hiermee akkoord. Ik heb de bankgegevens van [verdachte] aan [betrokkene 1] doorgegeven. Op mijn laptop, alsmede op mijn externe harde schijf, zijn digitale bestanden/facturen aangetroffen. De Sony laptop was van mij. De harde schijf die bij [A] is aangetroffen, is ook van mij. Ik heb [verdachte] gevraagd die harde schijf voor mij te bewaren. Ik heb begrepen dat zij die op haar werk heeft bewaard. Op een gegeven moment [is/zijn een van] de aangetroffen (digitale) facturen naar mij toegestuurd door [betrokkene 1] , naar ik mij kan herinneren via [onder meer] e-mail. [betrokkene 1] heeft de donatie in twee keer gegeven. Een eerste keer heeft hij in mei 2010 een bedrag overgemaakt en in juni 2010 heeft hij nogmaals een bijdrage overgemaakt. Er zijn bedragen overgemaakt naar [C] Ltd. Ik ben begunstigde van [C] Ltd. We waren in juni 2010 een paar dagen in Miami (het Hof begrijpt: in de Verenigde Staten van Amerika). [verdachte] heeft daar twee cheques op naam van [A] en twee op naam van [medeverdachte] gekocht. Er is voor 100.000 dollars aan cheques op naam van [A] gekocht. Die twee bedragen (via cheques) zijn op de rekening van [A] gestort en in mindering gebracht op de persoonlijke schuld van [verdachte] aan [A] . Van de op naam van de [medeverdachte] gekochte cheques is een groot gedeelte op mijn MCB-rekening gestort.

4. Een ambtsedig proces-verbaal “vermoeden valsheid en geschrift en witwassen contra [medeverdachte] en [verdachte] en ambtelijke corruptie contra [medeverdachte] “, gesloten op 11 februari 2015, PV-nummer 187086 (zaakdossier), voor zover inhoudende:

(p. 18) Op 27 augustus 2010 richt verdachte [medeverdachte] de politieke partij Movementu Futuro Korsou (MFK) op. Op 10 oktober 2010, bij de totstandkoming van het land Curaçao, is verdachte [medeverdachte] minister-president van dat land. Deze functie heeft hij bekleed tot eind september 2012.

(p. 24) Verdachte [verdachte] is bestuurder en directeur van de vennootschap [A] NV op Curaçao. Deze vennootschap drijft een onderneming in brandstoffen en aanverwante zaken.

(p. 53) Citibank heeft de informatie verstrekt dat op 14 mei 2010 op een Citibankrekening op naam van verdachte [verdachte] een bedrag van USD 140.000,00, afkomstig van [B] Limited via de Banca Popolare di Milano is ontvangen.

(p. 54-55) Vanaf de Citibankrekening van verdachte [verdachte] zijn de volgende geldstromen op gang gekomen:

– op 17 mei 2010 is USD 15.000 overgemaakt naar een bankrekening op naam van [C] Limited bij de UBS te Genève in Zwitserland;

– op 14 juni 2010 is USD 10.000 overgemaakt naar een bankrekening op naam van [C] Limited bij de UBS te Genève in Zwitserland;

– op 11 juni 2010 is door middel van drie cheques een bedrag van de Citibankrekening contant opgenomen. Het betreft twee cheques van elk USD 50.000,00 en één cheque van USD 20.000,00;

– op 14 juni 2010 is door middel van een cheque een bedrag van USD 53.422,00 van de Citibankrekening contant opgenomen.

(p. 58-60) [C] Ltd. is gevestigd op de Marshall Islands en heeft een bankrekening bij de UBS AG te Genève. Alle door de RST verkregen bankafschriften van die bank zijn geadresseerd aan ” [C] Ltd, BP Geneve”, zonder nadere adresaanduiding.

(p. 66-67) Op 15 juni 2010 is een bedrag van ANG 89.000,00 ontvangen op de MCB rekening van [A] . Op 16 juni 2010 is opnieuw een bedrag van ANG 89.000,00 ontvangen op de MCB rekening van [A] . Deze bedragen zijn in mindering gebracht op de vordering die [A] op verdachte [verdachte] heeft.

(p. 81-82) Naar aanleiding van een rechtshulpverzoek Italië is een CD-rom verkregen, met excelbestanden erop, waaruit naar voren is gekomen dat vanaf een bankrekening die [B] aanhoudt bij Banca Populare di Milano twee betalingen zijn verricht naar [verdachte] bij de Citibank in Amerika, waaronder een bedrag van € 61.240,71 op 10 juni 2010.

Informatie van Citibank USA houdt in dat op 14 juni 2010 USD 73.422,00 door de Banca Populare di Milano is gestort op de rekening van [verdachte] , met als opdrachtgever [B] Limited.

(p. 85) De twee cheques met een totaalbedrag van USD 73.422,00 zijn op 15 juni 2010 aangeboden aan de Orco Bank te Curaçao en bijgeschreven op de bankrekening van [medeverdachte] .”

2.2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering voorts het volgende overwogen:

“Uit de bewijsmiddelen volgt dat op de rekening van de verdachte bij Citibank in Amerika op 14 mei 2010 USD 140.000,00 is ontvangen, afkomstig van [B] . Op 17 mei 2010 is USD 15.000,00 overgemaakt naar een Zwitserse bankrekening van [C] Limited, een op de Marshall Islands gevestigde rechtspersoon, waarvan de medeverdachte [medeverdachte] de begunstigde is. De bankafschriften van deze bankrekening vermelden noch de naam, noch het adres van de verdachte.

Op 11 juni 2010 hebben de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] USD 120.000,00 van de Citibankrekening contant opgenomen en cheques gekocht van het opgenomen bedrag. Op 14 juni 2010 is op de Amerikaanse bankrekening nog USD 73.422,00 ontvangen, ook afkomstig van [B] .

Op 14 juni 2010 is vanaf de Amerikaanse bankrekening nog USD 15.00,000 overgemaakt naar de Zwitserse bankrekening en nog USD 53.422,00 contant opgenomen en van het opgenomen bedrag is een cheque gekocht.

Twee van de in totaal vier cheques zijn op 15 juni 2010 aangeboden aan de Orco Bank in Curaçao en bijgeschreven op de bankrekening van [medeverdachte] . De andere twee hebben op respectievelijk 15 juni 2010 en 16 juni 2010 geleid tot bijschrijvingen op een bankrekening van [A] bij de MCB Bank in Curaçao.

Deze gang van zaken heeft tot gevolg gehad dat noch uit de boekhouding van de MFK, noch uit die van [medeverdachte] , noch uit die van
[C] Limited, noch uit die van [A] , noch uit die van [medeverdachte] kon blijken dat er gelden ontvangen waren van [betrokkene 1] of van [B] (uit de administratie van de verdachte kon dat slechts blijken als men ermee bekend was dat zij de Amerikaanse bankrekening had). De medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat [betrokkene 1] niet wilde dat publiekelijk bekend zou worden dat hij bedragen doneerde en de verdachte heeft verklaard dat haar dat bekend was.

Uit het voorgaande, in samenhang beschouwd, leidt het Hof af dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] gezamenlijk de herkomst hebben verhuld van de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen. Het betoog van de raadsman dat de geldtransacties transparant zijn geweest, vindt hierin zijn weerlegging. Zijn stelling dat pas sprake is van witwassen als het geld ‘verdwijnt’, vindt geen steun in de wet of jurisprudentie en wordt door het Hof verworpen. De omschreven gedragingen gaan ook verder dan het enkel houden van uit eigen misdrijf afkomstige gelden. Dat het geld op eigen rekeningen is gestort en de cheques zijn verantwoord in de administratie van [A] doet daaraan niet af.

Niet is bewezen dat de verdachte bekend was met de specifieke aard van het misdrijf waardoor het geld is verkregen. Wel is bewezen dat het geld uit enig misdrijf afkomstig was en dat de verdachte dat wist of begreep, in die zin dat zij minst genomen welbewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard, dat het geld uit enig misdrijf afkomstig was. Redengevend hiervoor is dat het om grote bedragen geld ging, dat de verdachte wist dat [betrokkene 1] anoniem wilde blijven, dat zij niet wilde dat het geld op haar Curaçaose rekening zou worden gestort, dat zij het geld op haar Amerikaanse rekening heeft laten storten en dat zij het geld later met de medeverdachte op heimelijke wijze een legaal aanzien heeft gegeven.”

2.3.

Art. 435c, eerste lid aanhef en onder a, SrNA luidde ten tijde van het tenlastegelegde feit als volgt:

“1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van ten hoogste een miljoen gulden:

a.

hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet of begrijpt dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.”

2.4.Het Hof heeft onder 2 bewezenverklaard dat de verdachte van geldbedragen de herkomst heeft verhuld, terwijl zij en haar mededader wisten of begrepen dat deze geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf. Daarbij is het Hof ervan uitgegaan dat niet is bewezen dat de verdachte bekend was met de specifieke aard van dat misdrijf – te weten: de ambtelijke omkoping van haar mededader en partner [medeverdachte] door [betrokkene 1] – waardoor het geld is verkregen. Wel heeft het Hof bewezen geacht dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het geld uit enig misdrijf afkomstig was. In dat verband heeft het Hof in aanmerking genomen dat het ging om grote geldbedragen en dat de verdachte wist dat deze bedragen afkomstig waren van [betrokkene 1] , die anoniem wilde blijven. Voorts heeft het Hof in aanmerking genomen dat de verdachte niet wilde dat het geld op haar Curaçaose rekening zou worden gestort, dat de verdachte het geld op haar Amerikaanse rekening heeft laten storten en dat de verdachte het geld vervolgens met haar mededader op heimelijke wijze een legaal aanzien heeft gegeven. Met betrekking tot dit laatste heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte na de ontvangst van de betalingen op haar rekening een groot aantal betalingen en andere financiële transacties heeft uitgevoerd, die tezamen tot gevolg hadden dat de gelden ter beschikking bleven van de verdachte, haar mededader en/of bij hen betrokken rechtspersonen terwijl noch uit de boekhouding van haar mededader, noch uit die van de door hem opgerichte politieke partij MFK, noch uit die van enige andere bij deze transacties betrokken rechtspersoon kon blijken dat er gelden waren ontvangen van [betrokkene 1] of diens onderneming [B] . In dat verband heeft het Hof ten slotte nog vastgesteld dat uitsluitend indien men ermee bekend was dat de verdachte beschikte over voornoemde Amerikaanse bankrekening, uit haar eigen administratie kon blijken dat de gelden afkomstig waren van [betrokkene 1] of [B] . Het oordeel van het Hof dat uit deze omstandigheden volgt dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de op haar rekening ontvangen geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. De omstandigheid dat de verdachte ervan uitging dat die (uit misdrijf afkomstige) geldbedragen strekten ter ondersteuning van de politieke activiteiten van haar mededader, doet daaraan niet af.

2.5.Het middel faalt.

3Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 november 2018.

Advertisements
error: Content is protected !!
%d bloggers like this: