Advertisements
window.dataLayer = window.dataLayer || []; function gtag(){dataLayer.push(arguments);} gtag('js', new Date()); gtag('config', 'UA-83616463-1');

PERSBERICHT & VONNIS Strafzaak Speeltuin (Aruba) KASO DI Rishandroh en Eugene.

Uitspraak Speeltuin

Oranjestad –  Op 15 juni 2018 en 24 augustus 2018 heeft het Gerecht de zaak ‘Speeltuin’ behandeld. In deze zaak stond verdachte F. samen met medeverdachte M. terecht wegens verdenking van doodslag op en de (zware) mishandeling van haar twee minderjarige zoontjes Rishandro en Eugene. Daarnaast stond verdachte terecht voor de verdenking van het in hulpeloze toestand laten van Rishandroh en Eugene.

Het Openbaar Minsterie concludeerde dat, ten aanzien van beide slachtoffers, bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan doodslag, medeplichtigheid aan zware mishandeling en het in hulpeloze toestand laten. Het Openbaar Minsterie heeft geëist verdachte daarvoor te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het Openbaar Minsterie gevorderd als bijzondere voorwaarde aan de verdachte te gelasten dat zij zich gedurende de proeftijd zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als deze inhouden een contactverbod met medeverdachte M. en het meewerken aan behandeling door gedragsdeskundigen.

Medeverdachte M. heeft zijn medewerking gegeven aan het strafrechtelijk onderzoek en grotendeels bekennende verklaringen afgelegd. Ook heeft hij de politie de plaats waar hij het lichaam van Eugene had begraven, aangewezen. Zijn verklaringen worden bevestigd door de verklaringen van verdachte, getuigen en de autopsierapporten, waaruit de aard en de omvang van het door medeverdachte M. toegebrachte letsel blijken.

Uit de bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van verdachte, leidt het Gerecht af dat verdachte zich ervan bewust was dat medeverdachte M. haar zoontjes Rishandroh en Eugene – in de periode voorafgaand aan het fatale letsel – regelmatig mishandelde. Dat verdachte zich bewust was van de ernstige situatie waarin haar kinderen zich bevonden blijkt uit het feit dat zij twee keer getracht heeft om met de kinderen het appartement te verlaten. Op verdachte rustte, als moeder van de kinderen, een bijzondere zorgplicht voor het leven, de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van haar kinderen. Op grond van deze zorgplicht was verdachte gehouden maatregelen te nemen ter voorkoming van de gewelddadige gedragingen van medeverdachte M., die de veiligheid, gezondheid, het welzijn en het leven van haar zoontjes rechtstreeks bedreigden. Het treffen van maatregelen was niet alleen geboden, maar ook mogelijk. Verdachte had naar het oordeel van het Gerecht in ieder geval de keren dat zij naar haar werk ging, de mogelijkheid collega’s, familie en/of hulpverlenende instanties om hulp te vragen. Dit heeft zij nagelaten. Nu verdachte de risico’s kende en geen hulp heeft gezocht, is het gerecht van oordeel dat zij zich onvoldoende heeft ingespannen om haar kinderen in veiligheid te brengen.

Doordat verdachte zich onvoldoende heeft ingespannen om  haar kinderen in veiligheid te brengen dan wel hulp te zoeken, heeft zij welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij medeverdachte M. – tijdens haar afwezigheid – de gelegenheid gaf haar zoontjes te mishandelen, met alle risico’s van dien. Het Gerecht gaat ervan uit dat verdachte, zeker na de dood en verdwijning van Eugene, wist waartoe medeverdachte M. in staat was.

Het Gerecht komt op basis van de wettige bewijsmiddelen tot de bewezenverklaring van de medeplichtigheid aan de doodslag van Rishandroh en Eugene, de medeplichtigheid aan de zware mishandeling van Rishandroh, de medeplichtigheid aan mishandeling van Eugene en het in hulpeloze toestand laten van beide zoontjes.

Verdachte is onderzocht door zowel een psychiater als een psycholoog. Bij het onderzoek ter terechtzitting van d.d. 15 juni 2018 heeft het gerecht de zaak verwezen naar de rechter-commissaris teneinde een onafhankelijke psychiater (op Curaçao) te benoemen tot deskundige en opdracht gegeven tot het uitbrengen van een schriftelijk verslag aan het gerecht. Dit onderzoek werd verricht ter verkrijging van een “second opinion” met betrekking tot de vraag in hoeverre de verweten gedragingen toerekenbaar zijn aan verdachte, nu de gedragsdeskundigen hier verschillend over hebben gerapporteerd. In dit kader heeft een onafhankelijke psychiater aanvullend gerapporteerd over de persoon van de verdachte.

Het Gerecht is van oordeel dat het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting en de bevindingen en conclusies van de gedragsdeskundigen, in onderlinge samenhang bezien, onvoldoende aanknopingspunten bieden voor de conclusie dat bij verdachte, ten tijde van de bewezenverklaarde feiten, sprake is geweest van een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens. Het Gerecht komt dan ook tot het oordeel dat alle bewezenverklaarde feiten de verdachte volledig kunnen worden toegerekend.

Naar oordeel van het Gerecht is evenmin sprake van psychische overmacht. Het Gerecht is van oordeel dat uit getuigenverklaringen, in samenhang bezien met het onderzoek van de psycholoog en de wijze waarop verdachtes zich verbaal uitte ter gelegenheid van het onderzoek ter  terechtzittingen, niet het beeld naar voren komt dat  zij in het geheel niet voor haarzelf en/of  de kinderen durfde op te komen. Dit blijkt ook uit het gegeven dat verdachte medeverdachte M. meer dan één keer heeft aangesproken op zijn gedrag en heeft geprobeerd met haar kinderen te vluchten. Hoewel verdachte onder grote druk stond van medeverdachte M. en in zich in een stressvolle situatie bevond vanwege de voortdurende dreiging met en toepassing van geweld door M., is het Gerecht van oordeel dat van verdachte, als moeder van de kinderen, meer had mogen worden verwacht om haar kinderen te beschermen.

Bij het bepalen van (de hoogte van) de straf heeft het Gerecht als strafverlichtende omstandigheden mee laten wegen dat verdachte twee kinderen heeft verloren en dat zij gedurende lange tijd ernstig is mishandeld door medeverdachte M.. Ook heeft  het Gerecht rekening gehouden met de jeugdige leeftijd van verdachte. Tenslotte heeft het Gerecht acht geslagen op de gedragsdeskundige rapportages, waaruit volgt dat verdachte langdurige intensieve begeleiding nodig heeft. Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden ziet het Gerecht aanleiding om een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie gevorderd.

Aldus komt het Gerecht  tot de slotsom dat een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt dat verdachte dient mee te werken aan diagnose en behandeling door een psycholoog en/of psychiater en/of dat verdachte geen contact zal (laten) leggen met medeverdachte M. en/of hun gezamenlijke kind, tenzij dit contact in aanwezigheid van de reclassering zal zijn en/of in aanwezigheid van een hulpverlenende instantie na toestemming van de reclassering, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, passend en geboden is.

 

.

. .

. .

. .

.. .

. .

. .

. .

. .

.

.

.

. .

. .

. .

. .

. .

. .

. .

. .

. .

. .

.

.

.

Advertisements

Skibi bo komentario / Opinion

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

error: Content is protected !!
%d bloggers like this: