Advertisements

Toespraak president van het Hof mr. Eunice Saleh ter ere van de installatie van mr. Ferdinand Gerard

Toespraak president van het Hof mr. Eunice Saleh ter ere van de installatie van mr. Ferdinand Gerard

Ik verleen akte van de voorlezing. Hiermee is de installatie van collega Ferry Gerard een feit. Ik zal hem aan u voorstellen.

Mr. Gerard is in 1961 geboren in Weerselo, Nederland. In 1987 is hij afgestudeerd aan de Rijksuniversiteit Groningen, afstudeerrichting privaatrecht, sociaaleconomisch recht en publiekrecht. Hij is daarna zijn carrière begonnen als wetgevingsjurist en senior jurist bij verschillende Ministeries in Den Haag en ook  bij het Centraal Bureau voor Algemene en Juridische Zaken Curaçao.

In 1999 heeft mr. Gerard de overstap gemaakt naar de rechterlijke macht. Hij begon als rechter bij de rechtbank Arnhem in de familiesector en de civiele sector. In 2005 maakte mr. Gerard voor de tweede keer  een uitstapje naar het Caribisch gebied, ditmaal voor een langere periode in Aruba. Van 2005 tot 2010 was hij daar werkzaam bij het Gerecht in eerste aanleg, waar hij zowel civiele zaken, straf- en bestuurszaken heeft gedaan. Vervolgens heeft hij van 2010 tot 2018 bij de rechtbank Maastricht (thans: rechtbank Limburg) bij team Handel en team Toezicht gewerkt.

Het Caribisch gebied bleef trekken en dit leidde uiteindelijk tot zijn benoeming bij het Gemeenschappelijk Hof met ingang van 1 juli 2018, standplaats Bonaire.

Degenen die met mr. Gerard  hebben samengewerkt hebben het volgende over hem gezegd: een kundig rechter, analytisch ingesteld, scherpzinnig, een allround jurist met een goed gevoel voor de maatschappelijke aanvaardbaarheid van zijn uitspraken, een zeer fijne, hardwerkende collega met een uitstekende staat van dienst en een hoop enthousiasme.

U hoort het, het Hof kan niet anders dan trots zijn met een nieuwe collega als Ferry Gerard. Ferry, welcome back, wij zijn heel blij met je terugkeer. Ik wens jou veel succes toe in deze nieuwe functie en ook samen met je echtgenote Jacqueline een mooie tijd op Bonaire en natuurlijk ook jullie dochter Anouk, die naar ik aanneem vaak op vakantie zal komen,

Dames en heren,

Het woord wetgeving is zojuist al gevallen en daar zal ik het in het vervolg van mijn toespraak over hebben. De aanleiding: op 29 maart 2018 deed het Gerecht in eerste aanleg van de BES uitspraak in een strafzaak, waarbij de verdachte werd beschuldigd van seksueel binnendringen bij een vrouw van wie hij wist dat deze onder invloed van drugs verkeerde en daardoor, zoals dat dan wordt genoemd, in een staat van verminderd bewustzijn was. Overal in het Koninkrijk is dit strafbaar gesteld, maar niet op de BES-eilanden.  De verdachte werd daarom vrijgesproken en de wetgever werd wakker geschud. Op 29 juni 2018 is een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer om deze leemte in de strafbepalingen over ongewenste gemeenschap en ontucht te dichten. Intussen ligt het voorstel bij de Raad van State en over niet al te lange tijd, indien de Tweede kamer ermee instemt, zullen seksuele handelingen met iemand ‘in een staat van verminderd bewustzijn’ ook in de BES strafbaar zijn. Dit is op zich natuurlijk een positieve ontwikkeling,  maar dat neemt niet weg dat ik mij geroepen voel om weer stil te staan bij de noodzaak om divergerende wetgeving in de verschillende landen van het Koninkrijk zoveel mogelijk te beperken.

Ik zeg “weer”, omdat het niet de eerste keer is dat voor dit onderwerp aandacht wordt gevraagd tijdens een installatiezitting. In 2008 en 2009 heeft voormalig president van het Hof,  mr. Hoefdraad, een noodkreet geuit, gericht op het zoveel mogelijk bij elkaar houden van de wetgeving in de nieuwe landen, ook die van Nederland voor de BES-eilanden.

Al jaren wordt door een Projectgroep onder leiding van professor mr. De Doelder het Project Herziening Wetboek van Strafrecht en Strafvordering uitgevoerd. Op  Aruba, Curaçao en Sint Maarten zijn tussen 2011 en 2014 nieuwe wetboeken van Strafrecht in werking getreden. Ten aanzien van de BES was oorspronkelijk het uitgangspunt om een soortgelijk Wetboek van Strafrecht als in de andere landen in te voeren. Dit heeft later plaatsgemaakt voor een zogenoemde legislatieve luwte: alleen voor nieuwe Nederlandse wetsvoorstellen werd een variant voor de BES gemaakt. Dit betekent in feite dat nieuwe Nederlandse wetgeving wordt geïncorporeerd in niet-geactualiseerde en dus verouderde wetgeving. Er wordt gebouwd op een oude fundering en dit is niet wenselijk.

Anders dan in de andere landen van het Koninkrijk, is ook strafvordering nog niet op orde. Een verkort vonnis zonder bewijsmiddelen is overal mogelijk, behalve in de BES. Als er dan geen hoger beroep of cassatie wordt ingesteld, omdat iedereen zich in de uitspraak kan vinden, worden die bewijsmiddelen – zo zeggen sommigen gekscherend – opgesteld voor het “ronde archief”. Een concept voor een nieuw Caribisch Wetboek van Strafvordering is inmiddels naar de Raden van Advies van Curaçao en Sint Maarten gestuurd.

Tijdens het Justitieel Vierpartijenoverleg van 10 januari 2017 heeft de Minister van Justitie & Veiligheid van Nederland aangegeven niet verder te zullen participeren in het Project Herziening Wetboek van Strafrecht en Strafvordering. Overigens volgde Aruba Nederland ook in deze. Dit betekent dat de Projectgroep  zijn werkzaamheden zal eindigen zonder een concept Wetboek van Strafvordering voor de BES; zonder een Wetboek van Strafrecht voor de BES en zonder enige voorziening in de toekomst om de wetboeken van de Caribische delen van het Koninkrijk  te actualiseren en op elkaar af te stemmen. Nederland overweegt weliswaar om op den duur wel het nieuwe Wetboek van Strafvordering van de overige landen over te nemen, maar indien het Wetboek van Strafrecht niet ook wordt aangepast, zal dit tot aansluitingsproblemen leiden. Daarnaast dreigen ook dan de verschillen in wetgeving tussen de verschillende landen te blijven bestaan.

De reden om niet langer gebruik te maken van de diensten van de Projectgroep is dat men het onwenselijk vindt wetgeving uit te besteden aan derden, terwijl er voldoende wetgevingscapaciteit is in Nederland. Dat er voldoende wetgevingscapaciteit is in Nederland staat niet ter discussie. Maar om divergerende wetgeving zoveel mogelijk te voorkomen is het noodzakelijk dat de wetgevingsambtenaren in Nederland voeling en contact houden met de Projectgroep, die immers het overzicht heeft op de strafwetgeving in alle landen van het Koninkrijk.  In dit verband kan niet onopgemerkt blijven dat Aruba weer meedoet aan het Project en het ontwerp Wetboek van Strafvordering inmiddels naar de Raad van Advies heeft gestuurd.

Graag breng ik verder ook onder de aandacht enkele aanvullingen op het gebied van het civiel recht, die in het Curaçaose en Sint Maartense Burgerlijk Wetboek  zijn ingevoerd, en welke ontwikkelingen zich in Aruba in een vergevorderd stadium bevinden. In de BES-eilanden zijn deze aanvullingen echter nog niet in de wet opgenomen. Het betreft onder andere het nieuwe namenrecht, de herziening van het huwelijksvermogensrecht, het erfrecht, een nieuwe regeling van schenking en  de aanvulling van de regeling van koop.

De wetgevers van de verschillende landen hebben uiteraard wegens hun autonomie een grote mate van vrijheid om die regelingen te treffen die naar hun overtuiging de beste zijn, ook indien deze afwijken van de regels in de andere landen. Een grote diversiteit in regelgeving heeft echter praktische nadelen voor de rechtspraktijk en is niet  in overeenstemming met het concordantiebeginsel. U kunt zich voorstellen dat als het Gemeenschappelijk Hof, dat rechtspreekt in vier landen, geconfronteerd wordt met verschillen in wetgeving, de kans op fouten toeneemt en de taak tot bewaking van de rechtseenheid moeilijk uitvoerbaar wordt.  Het voorbeeld waarmee ik mijn toespraak begon is in deze illustratief: eenzelfde gedraging is in drie landen van het Caribisch deel van het Koninkrijk strafbaar en in een op twintig minuten vliegen gelegen ander deel van het Koninkrijk niet.

Ik eindig deze toespraak door de hoop uit te spreken dat er met voldoende ernst aandacht zal worden besteed aan deze problematiek van divergentie van wetgeving.  Het gaat uiteindelijk niet alleen om proces efficiëntie bij dit Hof, maar nog belangrijker om uniforme rechtsbescherming voor alle inwoners van onze eilanden.

Ik dank u voor uw aandacht.

 

Advertisements
%d bloggers like this: